M’n tweede bakermat, de Verkadefabriek.

Ooit mee bedacht en ontwikkeld: het werd een fascinerende ontdekkingsreis, waarvoor we de beste marketingmethoden uit allerlei branches naar de cultuursector vertaalden.

Branding, positionering, leefstijlgroepen, segmentatiemodellen; we maakten er de Verkadefabriek mee tot pionier, een geslaagd voorbeeld van cultureel ondernemerschap en rolmodel voor vele navolgers.

Ik was er jaren hoofd van de afdeling marketing.
Maar zelfs toen ik daarna koos voor een ongewis avontuur als freelancer, bleef ik nauw betrokken bij ‘de Verkade’ – met heel m’n hoofd en hart.

En met teksten voor de diverse nieuwsbrieven en columns voor het maandblad. Zoals hiernaast.


Bij ons had je d’n Rooien Toon. Woest peenhaar, een kop als een omgewoelde akker, ogen als het vagevuur.

D’n Rooien Toon was boer. Met een kudde schonkige vaarzen, wat nerveuze geiten en een pony, Anita. Z’n vrouw Coby leek op prinses Christina en prevelde ‘s zondags in de kerk haar rozenhoedjes met gesloten ogen. Hun dochter heette Ma Chérie - Mazzerie in dat geknauwde dialect van bij ons. Haar brillenglazen waren sterk en vet. Anita was haar enige vriendin.

Over d’n Rooien Toon verzonnen wij de vreemdste verhalen. Onze fantasie werd nog amper gehinderd door kennis van de werkelijkheid: de wereld was één dorp groot, tv vertoonde geen mensenleed vóór acht uur ‘s avonds, in de Okki (Onze Kleine Katholieke Illustratie) las je slechts over verdwaalde kabouters en het nut van eikels. En toch fantaseerden wij voluit over schemerige misstanden in huize Rooien Toon, verzonnen wij de gruwelijkste scènes met bloedschande en doodzonden, echtbreuk en duivelskunsten. Verdachtmakingen van ver voorbij onze bevatting, toespelingen op een wereld die we niet eens kenden. Die steeds levensechter werden naarmate we ze aandikten.

Dertig jaar later besef ik dat onze bedenksels woekerden op stil ontzag en verborgen bewondering. Stiekem waren we jaloers op deze onaangepasten die tegendraads de vrijheid namen die wij zochten, die durfden te ontsnappen aan het gareel. Ondanks het oordeel van de massa, de gemene delers. Zij lieten het lot leiden, werden wat ze waren. Wij bleven braaf binnen de lijntjes.

D’n Rooien Toon ligt onder een eik nu, Coby murmelt zacht haar schietgebedjes in een verzorgingstehuis en Mazzerie is hoogleraar geworden. Sociologie.

[column maandblad]

Het begon al niet goed. De tabberd was te kort, de mijter knelde en met ieder woord glipte een halve baard m’n mond in.

Ondanks mijn zalvende bariton en theatrale goedertierenheid, deinsde het grut bleek weggetrokken terug en prevelde het monotoon en benauwd dat ik maar moest binnenkomen met mijn knecht omdat ze allemaal even recht zaten. Zwarte Piet was overigens snipverkouden; z’n loopneus trok een wit snorretje en er vloog meer snot dan snoepgoed door het klaslokaal.

Ach, na ferme teugen uit de flaconnetjes beerenburg bekroop ons alsnog een vrolijke lamlendigheid en verliet de vrees de tere kinderzieltjes zowaar wat. Er werd zelfs bedeesd geklapt en gezongen toen we, wankel en balorig, het klasje weer uit strompelden. Ook toen m’n staf achter de zelfgemaakte slingers bleef haken en daarmee in één haal alle bonte versiering van het plafond trok.

Zwarte Piet zou terugrijden. In de Panda van z’n zus. Met de mijter door het open dakje en de zak op m’n schoot, knetterden we de schemering in – uitbundig en beschonken. Twee straten. Toen nieste Piet de voorruit vol en boorde de Panda raak in de flank van een glimmende BMW.

De agenten op het bureau zongen uitbundiger dan de kinderen. Toen ik op de celdeur sloeg om te mogen plassen, klonk er een gierend ‘Hoor wie klopt daar kind’ren’, anderhalf uur later zwaaide het halve korps ons uit met een meerstemmig ‘Dag Sinterklaasje’. Piet gooide ze een laatste handje pepernoten toe – hard en gericht. Ik staakte mijn wild geraas en gaf mezelf het mooiste cadeau: nooit meer Sinterklaas.

En de maan scheen door de bomen.


[column maandblad]